Nieuws

Normale hormoonhuishouding van de teef

De teef wordt hierdoor langzaam volwassen.

  1. De activiteit in de eierstokken wordt aangestuurd vanuit de hypothalamus (een onderdeel van de hersenen), die GnRH produceert.
  2. Dit zorgt ervoor dat de hypofyse (hormoonklier die dicht bij de hersenen gelegen is) LH en FSH produceert.
  3. Deze hormonen zorgen er o.a. voor dat eicellen in de eierstokken gaan rijpen en dat gespecialiseerde cellen in de eierstokken oestrogenen en testosteron gaan produceren. Testosteron wordt vooral gezien als een mannelijk hormoon, maar in lagere concentraties komt het ook voor bij vrouwelijke dieren. De productie van oestrogenen en testosteron door de eierstokken is een belangrijk signaal voor zowel de hypothalamus als de hypofyse om minder hormonen te gaan produceren, zodat het systeem in balans blijft. Dit signaal waardoor een hormoon zijn eigen productie remt, wordt negatieve feedback genoemd.

De normale cyclus van de teef

Bij een vruchtbare teef zorgen LH en FSH ongeveer 2 keer per jaar voor de verdere ontwikkeling van eicellen in de eierstokken van de teef, wat uiteindelijk leidt tot een ovulatie / eisprong. Oestrogenen worden vooral geproduceerd door cellen rond rijpende eicellen, dus de productie is vooral hoog rond de vruchtbare periode van de teef. Oestrogenen veroorzaken veranderingen in de voortplantingsorganen en een bereidheid tot paren op het juiste moment.

De cellen die achterblijven na de eisprong, vormen zich om tot een klier die progesteron produceert: het gele lichaam.

  • Als er een bevruchting plaatsvindt, zal er een placenta gevormd worden, die ook progesteron produceert, en zal de teef na 64 dagen bevallen van pups.
  • Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het gele lichaam afgebroken. De afbraak van het gele lichaam kan tot 70 dagen duren, wat verklaart waarom sommige teven steeds schijnzwanger zijn. Zolang het gele lichaam bestaat, produceert het namelijk progesteron, waardoor het al die tijd hormonaal lijkt alsof de teef zwanger / drachtig is. Na deze periode is de hormoonproductie gedurende 3 – 4 maanden relatief laag.

Gedragseffecten na castratie

Na castratie van een teef, en dus verwijdering van de eierstokken, kan de hoeveelheid testosteron in het lichaam tot 30% afnemen. Testosteron verdwijnt niet helemaal, want het wordt ook op andere plaatsen in het lichaam geproduceerd. Ook is de afname lang niet zo drastisch als na castratie bij de reu, maar toch zou een vermindering van de hoeveelheid testosteron invloed kunnen hebben op het gedrag van de teef na castratie. Er is meer onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van castratie dan naar de gedragseffecten, en onderzoek naar gedragseffecten focust vaker op reuen dan op teven. Volgens het beperkte onderzoek dat er is, zijn de gedragseffecten na castratie van een teef vergelijkbaar met de gedragseffecten na castratie van een reu.

In 2005 zijn voor een Koreaans onderzoek 14 Duitse Herder teven toegewezen aan een castratiegroep (verwijdering van zowel de eierstokken als de baarmoeder) of een controlegroep. De teven in de eerste groep werden gecastreerd (op een leeftijd van 5 – 10 maanden) en na 5 maanden werd hun gedrag vergeleken met dat van de teven in de controlegroep. Beide groepen waren op de castratie na precies hetzelfde behandeld. Tijdens de gedragstest naderden een voor de teef onbekende persoon en onbekende hond de kennel van de teef. De reactiviteit van de gecastreerde teven bleek hoger te zijn: zij blaften en gromden meer, waren veel drukker in hun bewegingen en toonden meer tekenen van stress.

Een ander onderzoek concludeerde dat de kans op een verhoogde reactiviteit hoger is, als de teef al een relatief hoge reactiviteit toont voor de castratie. Dit onderzoek raadde ook af om teven die agressief gedrag vertoonden te laten castreren, omdat de kans dat de agressie toeneemt na castratie groter is dan de kans dat de agressie toeneemt als de teef intact blijft.

Verder onderzoek naar de effecten van castratie op agressie

Er zijn verschillende onderzoeken die uit enquêtes onder honderden (soms zelfs duizenden) hondeneigenaren rapporteren dat agressie meer voorkomt onder gecastreerde honden. Ook zijn er enkele onderzoeken die geen verschil in agressie vonden tussen gecastreerde en intacte honden.

De onderzoeken die geen verschil vonden, hebben aan het begin van de studie alle honden die gecastreerd werden vanwege een gedragsprobleem (waaronder agressie) verwijderd uit de studie. Deze honden zouden voor een vertekend beeld kunnen zorgen: ze vertoonden immers voor de castratie al meer agressie dan de intacte honden waarmee ze nu vergeleken worden. Het is onmogelijk om een conclusie te trekken over de invloed van castratie op de mate van agressie van deze honden, zonder meer te weten over hun gedrag als intacte hond.

Er is dus meer onderzoek nodig zoals hierboven beschreven, waarbij honden willekeurig worden toegewezen aan een castratiegroep of een controlegroep (en niet vooral honden met probleemgedrag in de castratiegroep) of onderzoek waarbij honden jarenlang gemonitord worden, zodat hun gedrag voor en na castratie vergeleken kan worden.

Mogelijke positieve gedragseffecten na castratie

Gedragingen die mogelijk wel verminderen na de castratie, zijn gedragingen die gelinkt zijn aan de cyclus. Sommige teven vertonen vooral tijdens de loopsheid bepaalde gedragingen, die ze normaal niet of nauwelijks vertonen. Voorbeelden zijn markeergedrag (urineren op specifieke plaatsen) en rijgedrag (bestijgen van en rijden op andere dieren, mensen of voorwerpen), of ze vertonen wegloopgedrag.

Als dit gedrag (bijna) alleen voorkomt tijdens de loopsheid, kan het veroorzaakt worden door de hormonen die daarmee gepaard gaan. Gedrag dat volledig voortkomt uit sekshormonen, kan verminderen door castratie. In de praktijk blijkt dat er vele oorzaken kunnen zijn voor deze gedragingen, waardoor gedragstherapie mogelijk beter werkt dan castratie. Een probleem dat waarschijnlijk wel vermindert door castratie, is het schijnzwanger zijn. Sommige teven tonen hiervan iedere cyclus heftige symptomen en castratie zou dit probleem op kunnen lossen.

Positieve gezondheidseffecten van castratie

De meest genoemde positieve gezondheidseffecten van castratie van de teef zijn een zeer sterk verminderde kans op melkkliertumoren en  . Als naast de eierstokken ook de baarmoeder verwijderd wordt, is de kans op baarmoederontsteking natuurlijk volledig geëlimineerd.

Theoretisch geldt voor beide risico’s: hoe jonger de teef op het moment van castratie, hoe groter het positieve effect op de gezondheid. Bij iedere loopsheid komen oestrogenen en progesteron in relatief grote hoeveelheden vrij. Oestrogenen werken in op de melkklieren, waardoor daar steeds makkelijker tumoren zouden kunnen ontstaan en progesteron werkt in op de wand van de baarmoeder, waardoor een infectie zich daar steeds makkelijker kan nestelen.

Bij honden is ongeveer de helft van de melkkliertumoren goedaardig, de andere helft is kwaadaardig. Vooral kwaadaardige tumoren zijn gevaarlijk voor de gezondheid, goedaardige tumoren kunnen meestal goed behandeld worden. Een onderzoek uit 1969 vond een sterk verband tussen het moment van castratie en de kans dat een melkkliertumor kwaadaardig is:

  • 0.5% kans bij castratie voor de eerste loopsheid,
  • 8% kans bij castratie na de eerste loopsheid
  • en 26% kans bij castratie na de 2e loopsheid

Dit zegt echter niets over de kans op melkkliertumoren in het algemeen. Cijfers hierover zijn gedateerd en er zijn recente onderzoeken die de het sterke verband tussen de kans op melkkliertumoren en de status van de teef (intact of gecastreerd) in twijfel trekken. Daarbij is de status van de teef niet de enige risicofactor: volgens een ander onderzoek lijkt het ras van de hond zelfs een grotere invloed te hebben. De kans op een baarmoederontsteking voor het bereiken van een leeftijd van 10 jaar varieert van 5% tot 66% tussen verschillende rassen. Voor de kans op melkkliertumoren is de spreiding tussen de rassen 1% tot 46%.

Negatieve gezondheidseffecten van castratie

Kanker

Zoals eerder beschreven, zorgt de productie van oestrogenen en testosteron ervoor dat de hypothalamus en hypofyse minder hormonen gaan afgeven. In het geval van castratie dalen de hoeveelheden oestrogenen en testosteron sterk, omdat de productie vanuit de eierstokken volledig wegvalt. De hersenen krijgen daardoor nooit het signaal dat er een balans is bereikt, en dat de productie van GnRH, LH en FSH kan dalen. De productie blijft dus toenemen en op een bepaald niveau constant doorgaan. Gecastreerde honden hebben hierdoor tot 30 keer meer LH in hun lichaam dan vergelijkbare intacte honden. LH werkt niet alleen in op de voortplantingsorganen, er zijn receptoren in het gehele lichaam. Een nog te testen theorie is dat de extreme concentraties LH op bepaalde plaatsen in het lichaam cellen zodanig stimuleren, dat zij zich ontwikkelen tot kankercellen. Het veroorzaken van melkkliertumoren door oestrogenen werkt in principe op dezelfde manier. Er zijn verschillende soorten kanker die vaker voorkomen bij gecastreerde honden dan intacte:

  • Osteosarcoma: botkanker.
  • Hemangiosarcoma: kanker uitgaande van het bloedvatenstelsel.
  • Lymfosarcoma / lymfoma: kanker van de lymfocyten (type bloedcel) en lymfoïde weefsels (lymfeknopen, milt, lever, etc.).
  • Mastocytoma: mastceltumor (mastcellen zijn belangrijk bij ontstekingsreacties).

Botontwikkeling

Ook eerder genoemd, is het effect dat de puberteit heeft op het sluiten van de groeischijven in de botten. De verandering in de hormoonhuishouding is een belangrijk signaal voor het sluiten van deze platen (de omvorming tot bot) en dus het stoppen van het groeien van de botten. Dit proces is pas volledig voltooid op een leeftijd van ongeveer 18 maanden (er is variatie tussen de rassen). Als de eierstokken (hetzelfde geldt voor de reu bij verwijdering van de testikels) verwijderd worden voordat deze sluiting in alle botten compleet is, blijven de groeischijven langer open, waardoor sommige botten langer door groeien dan normaal. Hierdoor wordt de verhouding van de botten ten opzichte van elkaar beïnvloed, wat niet alleen belangrijk is voor het uiterlijk van de hond, maar ook voor de functionaliteit van de botten. Dit kan een verklaring zijn voor het vaker voorkomen van heupdysplasie en een ruptuur van de voorste kruisband van de knie bij gecastreerde honden. Dit is vooral wanneer zij gecastreerd zijn voor een leeftijd van 18 maanden, maar vooral voor de ruptuur van de knieband geldt dat het verhoogde risico ook aanwezig blijft bij latere castratie.

Urineweginfecties en incontinentie

Een minder heftig negatief gevolg van castratie van teven is dat de kans op urineweginfecties en urine-incontinentie groter is bij gecastreerde teven. Waarschijnlijk komt dit door een gebrek aan oestrogenen.

Obesitas

Een laatste belangrijk gevolg van castratie is de verhoogde kans op obesitas, met alle gezondheidsrisico’s van dien. Na castratie vertraagt het metabolisme van de hond, waardoor er minder energie nodig is om het lichaam in stand te houden. Daarnaast vermindert de hormonale remming van de eetlust: het signaal dat een verzadigd gevoel geeft na het eten wordt zwakker. Hierdoor leidt meer dan de helft van de gecastreerde honden aan overgewicht. Daarbij komt dat vetweefsel hormonen afscheidt, waaronder oestrogenen. Deze extra oestrogenen kunnen de kans op melkkliertumoren weer enigszins verhogen.

Conclusies

Naar mijn mening is er geen duidelijk algemeen advies voor het wel of niet castreren van teven. Om positief effecten te hebben, moet de castratie zo vroeg mogelijk gebeuren, maar dit verergert de negatieve effecten van castratie. Het is daarom maar de vraag of de verlaagde kans op melkkliertumoren en baarmoederontsteking opweegt tegen de verhoogde kans op andere soorten kanker, afwijkingen in het skelet, urineweginfecties, urine-incontinentie en obesitas. Het effect van castratie op het gedrag van de teef lijkt in ieder geval niet positief te zijn, eerder neutraal of zelfs negatief.

Referenties

Referenties: Algemene informatie over hormonen en cyclus

  • Adkins-Regan E. (2005). Hormones and Animal Social Behavior. Princeton University Press, Princeton.
  • Sjaastad, Sand and Hove (2010). Physiology of Domestic Animals, Second Edition. Scandinavian Veterinary Press.

Referenties: Gedragseffecten na castratie

  • Kim H.H., Yeon S.C., Houpt K.A., Lee H.C., Chang H.H., Lee J.H. (2006). Effects of ovariohysterectomy on reactivity in German Shepherd dogs The Veterinary Journal 172 (154 – 159).
  • O’Farrell V. and Peachey E. (1990). Behavioural effects of ovariohysterectomy on bitches. Journal of Small Animal Practice 31, (595 – 598).

Referenties: Verder onderzoek naar de effecten van castratie op agressie

  • Farhoody P., Mallawaarachchi I., Tarwater P.M., Serpell J.A., Duffy D.L. and Zink C. (2018). Aggression toward familiar people, strangers, and conspecifics in gonadectomized and intact dogs. Frontiers in Veterinary Science, 5:18.
  • Guy N.C., Luescher U.A., Dohoo S.E., Spangler E., Miller J.B. and Dohoo I.R. (2001). Demographic and aggressive characteristics of dogs in a general veterinary caseload. Applied Animal Behaviour Science 74 (15 – 28).
  • Podberscek A.L. and Serpell J.A. (1996). The English Cocker Spaniel: preliminary findings on aggressive behaviour. Applied Animal Behaviour Science, 52 (215 – 227).
  • Reisner I.R., Houpt K.A. and Shofer F.S. (2005). National survey of owner-dircted aggression in English Springer Spaniels. Journal of the American Veterinary Medical Association, 227 (1594 – 1603).

Referenties: Mogelijke positieve gedragseffecten na castratie

  • Maarschalkerweerd R.J., Endenburg N., Kirpensteijn J. and Knol B.W. (1997). Influence of orchiectomy on canine behaviour. Veterinary Record (1997) 140 (617 – 9).

Referenties: Positieve gezondheidseffecten na castratie

  • Beauvais W., Cardwell J.M., Brodbelt D.C. (2012). The effect of neutering on the risk of mammary tumours in dogs – a systematic review. Journal of Small Animal Practice.
  • Jitpean S., Hagman R., Holst B.S., Höglund O.V., Pettersson A. and Egenvall A. (2012). Breed variations in the incidence of pyometra and mammary tumours in Swedish dogs. Reproduction in Domestic animals, 47 (347 – 350).
  • Schneider R., Dorn C.R. and Taylor, D.O. (1969). Factors influencing canine mammary cancer development and postsurgical survival. Journal of the National Cancer Institute 43, (1249 – 1261).

Referenties: Negatieve gezondheidseffecten na castratie

  • Cooley D.M., Beranek B.C., Schlitter D.L., Glickman N.W., Glickman L.T. and Waters D.J. (2002). Endogenous gonadal hormone exposure and bone sarcoma risk. Cancer Epidemiology, Biomarkers & Prevention, 11(11), (1434 – 1440).
  • Hamaide A.J., Verstegen J.P., Snaps F.R., Onclin K.J. and Balligand M.H. (2005). Influence of the estrus cycle on urodynamic and morphometric measurements of the lower portion of the urogenital tract in dogs. American Journal of Veterinary Research, 66(6), (1075 – 1083).
  • Torres de la Riva G., Hart B.L., Farver T.B., Oberbauer A.M., Messam L.L.M., Willits N. et al. (2013). Neutering dogs: Effects on joint disorders and cancers in golden retrievers. PloS One 8 (2).
  • Ware W.A. and Hopper D.L. (1999). Cardiac tumors in dogs: 1982 – 1995. Journal of veterinary internal medicine, 13 (2), (95 – 103).
  • Zink M.C., Farhoody P., Elser S.E. et al. (2014). Evaluation of the risk and age of onset of cancer and behavioural disorders in gonadectomized Vizslas. Journal of the American Veterinary Medical Association 244:3, (309 – 319).
  • Zwida K. and Kutzler M.A. (2016). Non-reproductive long-term health complications of gonadal removal in dogs as well as possible causal relationships with post-gonadectomy elevated luteinizing hormone (LH) concentrations. Journal of Etiology and Animal Health, 1 (002).

Referentie voor meerdere onderdelen

Should I spay or neuter my dog? Understanding the secret life of sex hormones. Geschreven door Jane Messineo Lindquist, Director of the film ‘Puppy Culture – The critical first twelve weeks that can shape your puppy’s future’. Hierin worden nog meer wetenschappelijke onderzoeken en referenties aangehaald, ook over castratie bij de reu.

Credits

Dit artikel is geschreven door Pascalle Roulaux, Bachelor diergeneeskunde en Masterstudent dierwetenschappen Wageningen University & Research.

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Aanmelden voor de nieuwsbrief